Lotus Esprit
De Lotus Esprit werd gebouwd door Lotus tussen 1976 en 2004. Het ontwerp werd voor het eerst getoond op de Autosalon van Turijn in 1972 als een concept car en was gebaseerd op een uitgerekt Lotus Europa chassis. Designer Giorgetto Giugiaro’s was verantwoordelijk voor dit hoekige ontwerp en de Esprit zou oorspronkelijk ‘Kiwi’ gaan heten, echter wilde men niet breken met de Lotus traditie van het hebben van alle modelnamen beginnend met een ‘E’ en dus werd de naam uiteindelijk ‘Esprit’.
Model van de eerste LotusEsprit
Tegen het einde van de jaren zestig bouwde het Britse Lotus vier auto’s: de Zeven, de Elan, de Elan +2 en de Europa. Daarnaast was het merk met succes bezig in de Formule Een. De vier modellen leverden echter weinig op en oprichter Colin Chapman besloten dat het bedrijf een treedje hoger moest in het modellen-gamma. Nieuw benoemd technisch directeur van Lotus Tony Rudd kwam in 1970 met plannen voor de ontwikkeling van twee nieuwe modellen: een coupé met de motor voorin met codenaam M50 en de M70 met een centraal geplaatste motor als vervanger voor de Europa.
Geschiedenis en achtergrond
Op het Turijnse autosalon van november 1972 toonde Giorgetto Giugiaro’s Ital Design een verbluffende zilveren middenmotor-conceptauto, ontwikkeld in nauw overleg met Lotus Cars in Hethel. Gebaseerd op een substantieel gemodificeerd Lotus Europa Twin-Cam-chassis, zou de scherpkantige showcar, intern aangeduid als Project M70 en uiteindelijk Esprit gedoopt — na 27 jaar avontuur het langst lopende Lotus-productiemodel worden.
Vier jaar later debuteerde een productieversie op het Parijse Autosalon van 1975. De Esprit was de auto die het imago van Lotus voor altijd veranderde. Hij was meer dan een sportauto — het was een nieuw concept. Autoevolution
De culturele impact van de Esprit bereikte een hoogtepunt toen een witte Esprit S1 te zien was in de James Bond-film “The Spy Who Loved Me” uit 1977, waarbij de auto tijdens een achtervolgingsscène beroemd veranderde in een onderzeeër.
In totaal bouwde Lotus 10.675 Esprits in 28 jaar productiegeschiedenis, gemiddeld slechts 381 per jaar.Hiermme is het een van de zeldzaamste langlopende supercarreeksen ooit is.

Schetsen van de Esprit
Design en interieur
Lotus baas Colin Chapman had het ontwerp van de M70 toevertrouwd aan Giorgetto Giugiaro, die inmiddels bij Fiat, Bertone en Ghia wel had bewezen dat hij met een designpotlood overweg kon voordat hij zijn eigen studio, Italdesign, startte in 1968. Chapman noemde het project een speciale body Europa in dat stadium. Het zilveren prototype dat werd onthuld op de Italdesign stand op de Autosalon van Turijn 1972 werd steeds een styling oefening genoemd, maar kreeg ook al de naam ‘Esprit’, en het was ook al bekend dat de nieuwe auto 907-motor van Lotus zou gaan krijgen.
Het model werd gebouwd op een verlengd en verbreed stalen chassis van de Europa, met een langere wielbasis. Giugiaro had dat jaar al een model met middenmotor onthuld: de Maserati Boomerang. Gebaseerd op het chassis van de Bora die Giugiaro ook had ook ontworpen gaf dit model al aan welke richting hij met zijn styling op zou gaan voor de Esprit. Het definitieve ontwerp voor de M70 werd getekend in de tweede helft van 1973 waarbij sommige details van het op de Europa gebaseerde prototype de productie niet haalden, zoals de twin ruitenwissers en de louvres achter de neus.

Lotus was in 1966 al begonnen met de ontwikkeling van de Type 907 motor met het idee om een eigen twee-liter motor te produceren en daarmee minder afhankelijk te worden van Ford voor zijn twin-cam motor. De motor had twee bovenliggende nokkenassen, een aluminium legering kop en blok en kon er zo’n 150 PK uit persen. Het schuine viercilinder-ontwerp betekende dat het zou kunnen passen onder vlakke motorkappen en dat er ook een V8 van te maken was. Lotus werkte samen met Vauxhall, die ook bezig waren met een gietijzeren motor van een vergelijkbaar type. De eerste 2,0-liter racemotoren, genaamd Type 904, lagen in de Lotus 62 racewagens. Na een paar laatste proeven was de productieversie van de 907-motor klaar.
Echter waren zowel de Europa als de Elan beiden te klein om de nieuwe motor te kunnen krijgen en in die tijd waren de M50 en M70 nog niet van de grond gekomen. Dit deed Chapman besluiten om in 1971 een deal te tekenen in 1971 met de nieuwe eigenaar van Jensen, Kjell Qvale, om de Type 907, voorzien van dubbele Dellorto of, in de VS, Zenith Stromberg carburateurs te leveren voor de Jensen-Healey. In dit model leverde de motor 140 PK, echter waren er problemen met de olietoevoer naar de pompen.

De Renault vijftraps transaxle-bak die werd gebruikt in de Europa kon het vermogen en koppel niet aan en dus week Lotus uit naar een ander exemplaar afkomstig van Citroën: de vijfversnellingsbak gebruikt in zowel de Citroën SM coupé als de Maserati Merak. De voorwielophanging van de Esprit werd afgeleid van de Opel Ascona. Andere ingekochte componenten waren bijvoorbeeld de deurgrepen van de Morris Marina. Het eerste productie prototype werd in januari 1975 gereden op de luchthaven van Heathrow door Chapman bij zijn terugkeer van de Argentijnse Grand Prix.
Modelvarianten
- Esprit S1 / Type 79 (1976–1977) — 864 gebouwd, 160 pk, Giugiaro-carrosserie GTPlanet
- Esprit S2 (1978–1980) — verbeterde aerodynamica, nieuwe voorspoiler en nieuwe Speedline-wielen, bredere stoelen
- Esprit S2 JPS World Champion (1978) — gelimiteerde editie van 94 exemplaren in zwart-goud ter ere van het Formule 1-kampioenschap van Mario Andretti
- Esprit S3 (1981–1987) — verbeterd onderstel, uitgebreider interieur
- Esprit Turbo / Type 82 (1980–1987) — geïntroduceerd in 1980 als de snelste productieauto van zijn tijd, 0-100 km/u in iets meer dan 5 seconden, 240 km/u topsnelheid
- Essex Turbo (1980) — 45 exemplaren gebouwd in rood-zilver-goud Essex-livrei
- Esprit HC / Turbo HC (1986–1987) — hoge compressie versie
- Esprit X180 (1987–1990) — Peter Stevens-restyling, zachter en ronder
- Esprit SE (1989–1993) — turbocharged 2,2-liter, 264 pk
- Esprit S4 (1993–1995) — eerste Esprit met stuurbekrachtiging, 264 pk
- Esprit S4s (1994–1995) — 305 pk, 393 Nm, 270 km/u topsnelheid, 4,6 seconden 0-97 km/u
- Esprit GT3 — turbocharged 2,0-liter Type 920-motor voor emissiemarkten
- Esprit V8 / Type 82 (1996–2004) — twin-turbo 3,5-liter V8, 350 pk, 400 Nm, circa 1.613 gebouwd
- Esprit Sport 350 (1999–2000) — gelimiteerde editie, lichtgewicht
- Esprit Final Edition (2002–2004) — 82 exemplaren gebouwd als afsluiting van de productierun
- Type 114 Esprit GT1 (1996) — racerversie, 3 exemplaren gebouwd, meer dan 560 pk

Concurrenten
De Esprit S1 ging in 1976 in verkoop met een 2-liter 4-cilinder 156 pk middenmotor. 25 jaar later had de Lotus Esprit V8 een 3,5-liter 8-cilinder twin-turbo 350 pk motor — een evolutie die hem van bescheiden sportwagen tot volwaardige supercar transformeerde. Directe concurrenten waren door de jaren heen: Autoevolution
- Ferrari 308 / 348 / F355
- Porsche 911 Turbo
- De Tomaso Pantera
- Lamborghini Jalpa
Opvolgend model
De Esprit werd in 2004 uit productie genomen en niet direct opgevolgd. Lotus richtte zich daarna op de Elise, Exige en Evora als kernmodellen. In 2010 werd een Esprit-concept getoond maar niet in productie genomen.

Modelinformatie | |
| Merk | Lotus |
|---|---|
| Model | Esprit |
| Land | Groot-Brittanië |
| Start productie | 1976 |
| Einde productie | 2004 |
| (Geschat) productieaantal | 10.675 |
| Transmissie | handgeschakeld, 5 versnellingen |
| Motorspecificatie | 8-cilinder 2.0L, 2.2L, 3.0L |
| Brandstof | benzine |
| Body Type | Gesloten middenmotor GT coupé, Glasback |
Prestaties topmodel | |
| Topmodel | Lotus Esprit V8 twin-turbo |
| (Geschat) gewicht | 1379 kg |
| Vermogen | 350 pk |
| Koppel | 400 Nm |
| Topsnelheid | 280 km/u |
| Acceleratie 0-100 | 4.4 sec |
Mis je informatie of kom je een foutje tegen, of heb je misschien een mooi verhaal over dit model?
Mail ons, dat wordt enorm gewaardeerd!
















