Pierce-Arrow

Pierce-Arrow was een Amerikaans automerk dat auto’s bouwde tussen 1901 en 1938. Pierce-Arrow was vooral bekend door de peperdure luxewagens maar maakte daarnaast ook vrachtwagens, brandweervoertuigen, kampeerauto’s, motorfietsen en fietsen. Rond 1920 werd Pierce-Arrow samen met de andere luxemerken Packard en Peerless tot ‘The 3 P’s of American Motordom’ gerekend.

 

Geschiedenis van Pierce-Arrow

De voorloper van Pierce-Arrow werd in 1865 opgericht en heette Heinz, Pierce and Munschauer. Dit bedrijf maakte consumentenproducten en was onder meer bekend om haar vergulde vogelkooien. In 1872 kocht medeoprichter George Pierce zijn twee partners uit. Hij veranderde de naam daarop in de George N. Pierce Company. In 1896 startte het bedrijf ook de productie van fietsen. In 1901 bouwde Pierce een eerste auto, de Moterette, die 3 PK vermogen had. De tweecilinder versie hiervan kreeg in 1903 de naam Arrow. Deze auto had al 15 PK. In 1904 werd de De Dion-Bouton motor vervangen door een zelf ontwikkelde motor.

 

Het model met eigen motor werd de Great Arrow gedoopt en had een viercilinder die tussen de 24 en 28 PK produceerde. De auto kostte 4.000 dollar en dit maakte Pierce tot één van de duurste merken op de Amerikaanse markt. De Great Arrow was een bewezen betrouwbare luxe-auto en het bedrijf begon te groeien. In 1906 werd een tweede fabriek geopend om deze groei aan te kunnen. Twee jaar later werd de George N. Pierce Company hernoemd tot de Pierce-Arrow Motor Car Company. De familie Pierce verkocht haar belang in het bedrijf en was daarna niet langer betrokken. Datzelfde jaar werd ook de Great Arrow stopgezet. In 1909 bestelde toenmalig Amerikaans president William Howard Taft twee Pierce-Arrows voor officieel staatsgebruik, hiermee werd het merk de eerste officiële leverancier van staatsauto’s.

 

Pierce-Arrow bleef verder groeien in grootte, luxe en prestige. In 1910 waren er drie modellen leverbaar: Model 36, Model 48 en Model 66. Model 36 had een 6-cilinder van 36 PK en varieerde in prijs van 3850 tot 7200 dollar. Pierce-Arrow Model 66 had een grotere zescilinder die 60 PK sterk was. De prijs van dit model lag tussen 6500 en 8000 dollar. Vanaf 1913 werden elektrische koplampen standaard op Pierce-Arrows. In 1914 verscheen één van de meest opvallende stijlkenmerken: de koplampen werden van hun traditionele plaats naast de radiator naar een behuizing aan de uiterste zijkant van de wielkasten verplaatst. De auto’s kregen hierdoor een breder voorkomen en dit stijlkenmerk bleef behouden tot het einde in 1938.

 

Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bouwde Pierce-Arrow militaire voertuigen. Na de oorlog ging Pierce-Arrow terug naar de productie van personenauto’s. De modellen 38 en 60 werden stopgezet. Model 48 bleef over en Model Five werd geïntroduceerd. In de jaren 1920 werden de auto’s, die tot dan linkshandig waren, rechtshandig. Eind 1920 werd de Series 32 gelanceerd. In 1921 werd het model verbeterd tot Series 33. Het model was uitgerust met een 6-cilinder van 85 pk. Tot 1926 werden zo’n 7000 stuks gebouwd die tussen de 5250 en 8000 dollar kostten. In 1924 werd de goedkopere Series 80 geïntroduceerd die met succes de verkopen optrok. In 1928 werd het model verbeterd tot Series 81. De Series 80 kende nog meer succes dan de al succesvolle Series 33.

 

In 1925 ontwikkelde Pierce-Arrow samen met de Aluminum Company of America een prototype dat bijna volledig uit aluminium gemaakt was. Het was een test voor een lichtgewicht-auto en hij werd op autosalons tentoongesteld. Uiteindelijk kwam er weinig uit voort.

De overname

Intussen had Pierce-Arrow de innovatie in haar modellen te veel laten liggen. Terwijl concurrenten al V12- en V16-motoren inbouwden gebruikte het merk nog steeds een zescilinder. Voor modeljaar 1928 had het merk financiële hulp nodig om te overleven en die kwam van Studebaker. Met het nieuwe kapitaal kon Pierce-Arrow voor 1929 een nieuwe modellenlijn lanceren met een nieuwe acht-in-lijnmotor. Daarop volgde Pierce-Arrows hoogtepunt met een recordverkoop van bijna 10.000 stuks. Door de aankoop van $5,7 miljoen werd Studebaker de op drie na grootste autobouwer van de VS, na General Motors, Ford en Chrysler.

 

Studebaker van haar kant wilde met de koop de luxemarkt binnendringen. Ook wilde Studebaker de overcapaciteit van Pierce-Arrow gebruiken om vrachtwagens te bouwen. Daartoe werd de SPA Truck Company opgericht, wat stond voor Studebaker-Pierce-Arrow. De productie van die vrachtwagens begon in 1929. Pierce-Arrow bleef echter vrijwel autonoom over haar eigen producten.

 

De Grote Depressie

De Beurskrach van 1929 en de daaropvolgende Grote Depressie in de jaren 1930 zorgden voor moeilijke jaren in de autosector. Vooral luxemerken waaronder Pierce-Arrow werden in die periode zwaar getroffen. In 1930 vielen de verkoopcijfers terug tot 6795 stuks en in 1931 verder tot 4522. In 1932 faceliftte Pierce-Arrow haar Model 8 met onder andere een V12-motor. Ook werd de radicale Silver Arrow geïntroduceerd. De gestroomlijnde Silver Arrow had een zilverkleurige lak, dubbele koplampen en kostte 10.000 dollar, een enorm bedrag in die tijd. De auto werd goed ontvangen op het autosalon maar de slechte economische toestand zorgde ervoor dat er niet meer dan vijf van gebouwd werden.

 

Het einde van Pierce-Arrow

Tegen 1933 begon de Grote Depressie zodanig te wegen dat Studebaker zich gedwongen zag Pierce-Arrow te verkopen. De kopers waren een groep investeerders die genoeg kapitaal verschaften om verbeterde modellen uit te brengen in 1935 en 1937. Het bedrijf werd omgevormd van de Pierce-Arrow Motor Car Company tot de Pierce-Arrow Motor Corporation. De afdeling Pierce-Arrow Sales Corporation, dat de verkooppunten bezat, werd verkocht en het merk werd voortaan verkocht via onafhankelijke dealers. In navolging van concurrent Packard bracht Pierce-Arrow een goedkoper model uit, de Pierce-Arrow Model 21. Het was echter al te laat en in 1938 werd de productie stilgelegd. Op 13 mei dat jaar ging het bedrijf onder de hamer.




Garages en specialisten

Clubs, fora en verenigingen


Ook interessant