Hudson

De Hudson Motor Car Company bouwde tussen 1909 en 1957 automobielen van het merk Hudson en van een aantal andere merken. Het bedrijf was gevestigd in Detroit in de Verenigde Staten. De naam komt van de J.L. Hudson, één van de acht financiers van het bedrijf. Hij was oprichter van het Hudsons warenhuis en beschikte over een noodzakelijk kapitaal. Een van de andere investeerders was Roy D. Chapin, Sr. die het bedrijf succesvol leidde tussen 1910 en 1923.

 


Beelden uit de Hudson fabriek in Detroit

 

Hudson had een aantal primeurs voor de auto-industrie, waaronder dubbele remmen, het gebruik van de dashboardoliedruk- en generator-waarschuwingslampjes, en de eerste uitgebalanceerde krukas. Deze krukas zorgde ervoor dat de Hudson 6-in-lijn motor (De Super Six uit 1916) bij een hogere rotatiesnelheid snelheid kon behouden. De meeste Hudsons hadden tot 1957 zes-cilinder lijnmotoren. Het dubbele remsysteem gebruikte een secundair mechanisch systeem (handrem) dat de achterremmen activeerde wanneer het pedaal voorbij het normale bereik van het primaire systeem reikte; een mechanische ’emergency brake’ werd ook gebruikt. Hudson gebruikte ook een oliebad en ‘cork clutch’-mechanisme dat zowel duurzaam als snel bleek te zijn.

 

hudson super six 1921

Hudson Super Six uit 1921

 

Hoogtijdagen van Hudson

Op de hoogtijdagen van het bedrijf in 1929 werden er 300.000 auto’s binnen één jaar geproduceerd. Dit waren zowel Hudson als Essex modellen. De modellen werden ook geproduceerd in Engeland en België en dat jaar was Hudson de op twee na grootste autofabrikant van de V.S. dat jaar, na de Ford en Chevrolet. Helaas zakte de totale omzet in elkaar met de verwoestende depressie die volgde. Dankzij de snelle, goedkope Essex Terraplane, wist Hudson te overleven. Het bedrijf had een benijdenswaardige reputatie opgebouwd in de jaren twintig. Dit was vooral te danken aan de Super en Special Sixes: grote, gladde, solide betrouwbare auto’s met goede prestaties tegen een goede prijs.

 

Essex terraplane 1936

De succesvolle Essex Terraplane

 

Met de komst van een Essex Six in 1924, besloot Hudson exclusievere auto’s te gaan bouwen. Het resultaat was een enkele lijn in 1930 genaamd de “Great Eight”, maar zo “great” was deze auto niet. De motor acht cilinder leverde slechts 80 PK en moest een zwaar chassis verplaatsen. Hudson bleef tegen beter weten in deze motor gebruiken en noemde het zelfs de “greater eight” van 1931 tot 1932 Het vermogen nam toe naar 87 PK en vervolgens tot 101 PK. Achteraf had Hudson beter bij de zescilinder motoren kunnen blijven.

 

Een andere tegenslag was de sluiting van Biddle en Smart, Hudson’s oude leverancier van een de fraaie bodies. Het bedrijf richtte zich tot Murray en Briggs voor phaeton en speedster bodies. Daarnaast werden er een paar achtcilinder Hudsons in deze periode voorzien van een carrosserie door de bekende firma LeBaron. In de jaren die volgden werden Hudson achtcilinders aangeboden in allerlei carrosserie-varianten: roadsters, Victoria’s, cabrio’s, sedans, stad sedans, coupes en Broughams (twee-deurs sedans). Mooie modellen maar niet succesvol. In 1933 kwam er een nieuwe Super Six met de “Pacemaker”-lijn, maar ook deze lijn verkocht moeizaam.

 

Tweede Wereldoorlog

Ook Hudson moest er, op bevel van de Amerikaanse overheid, aan geloven: de autoproductie werd van 1942 tot 1945 opgeschort om plaats te maken voor het vervaardigen van oorlogsmateriaal. De fabriek produceerde onder andere vliegtuigonderdelen, scheepsmotoren en luchtafweergeschut. De ‘Invader’ motor van Hudson was op veel landingsvaartuigen gemonteerd die op D-Day bij de invasie in Normandië werden ingezet.

 

Na de Tweede Wereldoorlog werd de productie van automobielen weer opgestart. In 1948 lanceerde het bedrijf zijn “step-down”-carrosserieën. De term step-down verwijst naar de plaatsing van het passagierscompartiment binnen de constructie van het kader; de passagiers stapten ‘in’ een vloer die door het kader van de auto werd omringd. Het resultaat was niet alleen een veiligere auto en groter passagierscomfort, maar door een lager zwaartepunt eveneens een uiterst goed handelbare auto. In die tijd zouden bijna alle autofabrikanten dit systeem gaan gebruiken om auto’s te ontwikkelen. Dit type carrosserie zou de Amerikaanse autobouwer gebruiken tot modeljaar 1954.

 

In 1954 fuseerde Hudson met de Nash-Kelvinator Corporation en werd zo onderdeel van American Motors. De Hudson-fabriek in Detroit werd omgekat naar een militaire contractproductielijn. De laatste drie productiejaren van Hudson werd de productie gedraaid in Kenosha, Wisconsin.

 

Het jaar erna werden zowel de oudere modellen van Hudson als de Nash-modellen gebouwd op een gedeeld chassis, waarbij gebruik gemaakt werd van carrosserie-ontwerpen van Pininfarina, Edmund Anderson en Frank Spring. Hudson-dealers verkochten ook Rambler en Metropolitan modellen onder de merknaam Hudson. Wanneer deze verkocht werden door Hudson-dealers, waren beide modellen herkenbaar als Hudsons door emblemen op de grille, de motorkap en de claxon. Hudson Ramblers kregen ook een “H”-symbool op de tankdop en in 1956 ook op de wieldoppen. Vanaf 1957 werden de Rambler en Metropolitan gebouwd onder eigen merknamen en verdwenen de Hudson- en Nash-emblemen.




Garages en specialisten

Clubs, fora en verenigingen


Ook interessant