Adler

Adler is Duits voor ‘adelaar’, een vogel lang geassocieerd met de Keizerlijke aspiraties van Duitsland. Het Adler merk maakte echter niet bepaald auto’s met dergelijke ambities. De modellen waren redelijk basic vormgegeven gedurende het grootste deel van de veertig jaar dat het merk bestond. Net als vele andere vroege merken begon Adler, in Frankfurt-am-Main, als fietsfabrikant. Eigenaar Heinrich Kleyer bouwde sinds 1886 fietsen en het zaadje voor de overstap naar auto-productie werd geplant met een opdracht om spaakwielen te leveren aan een bedrijf dat Benz heette.

 

De eerste Adler

Ondertussen was ingenieur Max Cudell uit Aken bezig om onder licentie Franse Dion-Bouton motoren te bouwen in 1897. Het jaar erop produceerde hij driewielers en daarna voiturettes waarmee de productiecapaciteit van zijn fabriek aardig aan zijn tax zat. Kleyer maakte de deal om een partij van de driewielers voor Cudell te produceren. Tijdens een bezoek aan Parijs in 1899, zag hij de nieuwe voiturette van Louis Renault en hij besloot om zijn eigen auto’s te gaan produceren. De eerste Adler auto zag in 1900 het levenslicht en het model leek verdacht veel op de Renault.

 

Het autootje van Kleyer was van goede kwaliteit en haalde zo’n 25 km/u; de ‘3,5 PS’ ging vlot in productie en werd goed verkocht. De fabriek floreerde en vanaf 1903 werd het assortiment aangevuld met grotere 4,5 en 8 PK door Dion-motoren aangedreven auto’s. Kleyer’s volgende stap was om enkele tweecilinder motoren produceren voor zijn Adlers. In eerste instantie wilde hij de Dion route volgen maar hij koos er toch, mede door Edmund Rumpler, voor om motoren met een eigen karakter te ontwikkelen. Dit resulteerde in een 12 PK tweecilinder en een 24 PK viercilinder.

 

Sommige van Rumpler’s meer radicale ideeën, zoals de onafhankelijke achterwielophanging waar hij patent op had, werden verdrongen door de praktische Kleyer, die alleen maar wilde werken aan een reputatie van Adler als betrouwbare, ongecompliceerde auto’s. Een innovatie van Rumpler’s die Kleyer uiteindelijk wel accepteerde, was de ingebouwde versnellingsbak. Dit was voor het eerst te zien in 1905 op de grote nieuwe Adler 40/50 met een 7,5 liter motor die werd getoond op de Frankfurt Show.

 

Tussen 1908 en 1914 bleef Adler de range aan modellen uitbreiden, met meer dan dertig modellen verschillende modellen, variërend in vermogen van 9 PK tweecilinders tot 65 pk viercilinder wagens. De meeste van deze auto’s werden gebouwd voor betrouwbare service in plaats van extreme prestaties. Toch waren er ook exemplaren waarmee werd geraced.

 

Adler 8 cabrio 1928

Adler 8 cabrio uit 1928.

 

Eerste Wereldoorlog

Voor de Eerste Wereldoorlog werden Adlers op grote schaal geëxporteerd naar Zuid-Afrika, Oost-Indië en elders. Daarnaast verliep de verkoop in Groot-Brittannië redelijk via een distributiedeal met Morgan en Co Ltd. Na de oorlog waren dergelijke deals uiteraard van tafel en Adler had een moeilijke tijd net zoals Duitsland zelf. Het merk werd nieuw leven ingeblazen door vooroorlogse viercilinder motoren in nieuwe modernere 1,5, 2.3 en 3,1 liter modellen te bouwen. In 1925 bouwde Adler voor het eerst auto’s met zescilinder motoren in 2,6 en 4,7-liter vorm. Vier jaar later volgde de eerste Adler achtcilinder auto, een solide Amerikaanse gestileerde 3,9 liter, genaamd de Standard 8, die veel weg had van een Chrysler. Het was rond die tijd, waarin de Duitse economie wankelde, dat de gesprekken werden geïnitieerd tussen Erwin Kleyer, die zijn vader opvolgde, en Chrysler. Toen kwam echter het nieuws van General Motors ‘overname van Opel en de Deutsche Bank zette de de Chrysler-Adler onderhandelingen on hold.

 

In 1930 bracht Adler Hans-Gustav Rohr in het bedrijf om orde op zaken te stellen en met nieuwe ideeën te komen. Dit resulteerde in een gedurfde nieuwe kleine auto met voorwielaandrijving, onafhankelijke vering en een chassis met opgelaste carrosserie. Het model werd de Adler Trumpf genoemd en ondanks zijn bescheiden 1,5 liter vier-cilinder motor, was het een wendbaar en vlot autootje. De Trumpf was in volle productie vanaf 1933, voorafgaand aan meer bekende voorwiel aangedreven Citroëns. Andere Adler modellen waren de Trumpf-motorige Primus en de knappe 3-liter Diplomat zes, beide met achterwielaandrijving en onafhankelijke voorwielophanging.

 

Adler Trumpf Junior Sport Roadster 1935

Adler Trumf Junior Sport Roadster uit 1935.

 

Vervolgens kondigde het bedrijf de 996 cc Trumpf-Junior aan, gevolgd door de voorwiel aangedreven sportieve modellen verschillende motoren in een verlaagd chassis, met aluminium cilinderkoppen en lossen spatborden over de wielen. In een poging om de bescheiden prestaties van de motor door de aerodynamische efficiëntie te compenseren, produceerde Adler ook de beroemde Rennlimousin met een een prachtig, volledig gestroomlijnd gesloten body, die hielp bij het breken van vele lange-afstand records in 1935 en 1936.

 

Adler schrijfmachines

In 1939 kwam er een einde aan de productie van Adler auto’s. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de fabriek in Frankfurt bijna volledig verwoest en hoewel Adler plannen had om na de oorlog de productie van de Trumf te hervatten, kwam er een besluit vanuit het nieuw aangestelde management om geen auto’s meer te bouwen. Velen geloofden dat dit het resultaat was van een stilzwijgende overeenkomst met een andere autofabrikant om concurrentie te voorkomen. In de herbouwde fabriek, gelegen in een straat omgedoopt Kleyer-Strasse als eerbetoon aan Adler’s oprichter, werden tijdelijk motoren gebouwd en later schrijfmachines – waarmee het bedrijf wereldberoemd zou worden als lid van de Grundig groep. Dit merk werd op zijn beurt overgenomen door Olivetti in 1957, tegen die tijd was de Adler auto al geschiedenis.




Garages en specialisten

Clubs, fora en verenigingen


Ook interessant